Goud en de waarde ervan doorheen de geschiedenis

De tranen van de Zon De eerste toepassingen van goud waren wellicht decoratief. De glans en duurzaamheid werden door de vroegste beschavingen erkend om er de goden en notabelen mee te vereren. Met goud kon men zich onderscheiden. Goud stond algauw synoniem met kracht en eeuwigheid.

De associatie met goden en onsterfelijkheid vinden we in tal van culturen terug. Goud was snel het ideale materiaal om de hogere wezens en de elite mee te vereren. De Inca’s refereerden aan goud als zijnde de ‘tranen van de Zon’. Homerus, de befaamde schrijver uit de 9de eeuw voor Christus van de Ilias en de Odyssee, de oudst bewaarde letterkundige werken uit de Griekse literatuur, vermeldt goud al ter verheerlijking van de glorie van de onsterfelijke goden.

In Genesis, het eerste boek van de Hebreeuwse bijbel, lezen we over de rivier Pison: “het land van Havilah, waar goud is; en het goud van dat land is goed”. Nog verder terug in de tijd, rond 3100 voor Christus, zijn sporen terug te vinden van een waardebepaling van goud en zilver in de code van Menes, de stichter van de allereerste Egyptische dynastie. Deze code bepaalt dat “een deel goud evenveel waard is als twee en een half deel zilver”. Meteen de oudste referentie van de verhouding tussen goud en zilver. Opgravingen in Turkije legden de Gouden Schat van Troje bloot, daterend uit de periode 2450-2600 voor Christus.

Deze schat bestaat uit een reeks goudwerk, gaande van verfijnde juwelen tot een massieve gouden boot. In deze periode stond goud al hoog aangeschreven, maar werd het nog niet als geld gebruikt. Gouden schatkaart Eveneens bij de Egyptenaren, rond de tijd van Seti I (1320 voor Christus), situeren we de creatie van de eerste gouden schatkaart. De bewijzen daarvan zijn terug te vinden in het museum van Turijn in de vorm van een papyrusrol bekend als de ‘Carte des mines d’or’. Op de kaart zien we goudmijnen, mijnarbeiders en een netwerk van wegen. Eeuwenlang werd gezocht naar de locatie van de mijnen op deze kaart.

Vermoedelijk is de kaart een weergave van de Wadi Fawakhir streek waar de El Sid goudmijn zou te situeren zijn. De Egyptenaren waren grote verbruikers van goud. Toen de voorraden dreigden uitgeput te raken, haalden ze het uit Klein-Azië. Meest bekend is wellicht de schat van goud, edelstenen en het gouden dodenmasker van Toetanchamon, die in de 14de eeuw voor Christus leefde. In zijn tijd was Toetachamon een veel te vroeg gestorven farao die nog maar weinig had kunnen bewijzen, maar zijn goudschat; die in 1922 door Howard Carter werd ontdekt, maakte hem onsterfelijk.

Een mythe die goud in een prominente hoofdrol plaatst is het verhaal van Jason en de Argonauten rond 1200 voor Christus, een weergave van de speurtocht naar het Gulden Vlies. Een fictief verhaal, maar dan toch weer niet zo vergezocht. Het Gulden Vlies verwijst naar de schapenhuid die de eerste gouddelvers gebruikten. Ze lieten het water uit de rivieren waarin goud te vinden was over schapenhuiden stromen en drogen. Door nadien zachtjes op de huiden te kloppen vielen de goudklompjes en goudnuggets eruit en konden ze gerecupereerd worden.

Een weliswaar primitieve maar efficiënte manier van hydraulische mijnbouw die tot in de Gold Rush in Californië rond 1850 gebruikt werd. In de zoektocht naar goud gebruikten zowel de Feniciërs, Egyptenaren, Indiërs, Hittiten als Chinezen gevangenen, slaven en criminelen om deze kostbare grondstof op te delven. Het was een hard bestaan waarbij hun leven van weinig tel was. Zo rijk als Croesus De oudste getraceerde sporen van goud als betaalmiddel dateren van 700 voor Christus, toen Lydische handelaars de eerste gouden munten sloegen. Het ging om een mengeling van 63% goud en 27% zilver, gekend als electrum.

Lydië was een van de eerste welvarende en intussen legendarische koninkrijken uit Klein-Azië. Onder Alvattes II en vooral zijn zoen Croesus groeide het uit tot een van de machtigste staten van zijn tijd. Het rijk beschikte over een ongekende rijkdom, te danken aan het mild klimaat en de ruime aanwezigheid van goud. Voor de Grieken was Lydië lange tijd het symbool van luxe en rijkdom, en de Griekse kuststeden Milete en Ephesus die nauw contact met deze staat onderhielden namen algauw de toen revolutionaire methode van het slaan van gouden munten over. Uiteindelijk zou het rijk ten onder gaan, maar een legende worden.

Zo kennen we vandaag nog steeds de uitdrukking ‘zo rijk als Croesus’ om ongekende rijkdom te omschrijven. Na de Lydiërs zouden gouden munten snel overal ingang vinden. Niet te verwonderen, want oud goud heeft een unieke dichtheid. Geen ander metaal, op platina na, is zo zwaar en tegelijk toch zo gemakkelijk te smelten, om te vormen en te meten. Goud gaf de aanzet tot het concept ‘geld’: draagbaar, personaliseerbaar en permanent. Goud, en ook zilver, in de vorm van gestandaardiseerde munten vervingen algauw geschreven akkoorden voor ruilhandel en maakten handen in de klassieke Oudheid zoveel eenvoudiger.

Grieken en Romeinen In het Oude Griekenland werd goud het betaalmiddel bij uitstek. De Grieken hadden goudmijnen vanaf het mediterrane gebied tot het Midden-Oosten rond 550 voor Christus, en zowel Plato als Artistoteles schreven in hun werk over goud en zijn oorsprong. Ze associeerden goud met water, een logische redenering aangezien het in rivieren gevonden werd. Zo veronderstelden ze dat goud ontstond uit de combinatie van water en zonlicht. Aanvankelijk was de wetenschappelijke kennis van goud nog beperkt, maar de Grieken leerden snel hoe het te vinden.

Ten tijde van de dood van Alexander de Grote (323 voor Christus) deden de Grieken aan goudwinning van Gibraltar tot Asia Minor en Egypte. Sommige van deze mijnen behoorden tot de staat, anderen waren in private eigendom met een jaarlijkse belasting aan de schatkist. Nomadische stammen zoals de Scythen (een Indo-Europees volk van Iraanse afkomst) en de Cimmeriërs (een vroeg-Europees ruitervolk van onbekende afkomst) leverden mijnarbeiders die overal gingen werken. Vooral de Scythen legden in hun juwelen een ongekende artistieke kwaliteit aan de dag. Het Romeinse Rijk ging in haar expansie overal op zoek naar goud. Overal waar dit imperium zich uitstrekte, zochten de Romeinen intensief en met steeds verbeterende methodes naar dit edelmetaal.

Ze gingen voor het eerst ook ondergronds en maakten gebruikt van het waterrad. De mijnbouw werd in deze periode een ware wetenschap. Bijkomend voordeel was het enorme reservoir aan slaven en oorlogsgevangenen die konden ingezet worden. De Romeinen zagen de handelsmogelijkheden van een geldstandaard in. Dit was de aanzet tot een wereldeconomie die de verschillende regio’s in staat stelden met elkaar handel te drijven. Onder het Romeinse bewind was er handel door middel van goud en zilver met Indië voor kruiden en met China voor zijde.

Op het hoogtepunt van het Romeinse Rijk (98-160 na Christus) dirigeerden de Romeinse gouden en zilveren munten de handel van Brittannië tot Noord-Afrika en Egypte. De schat van Montezuma Toen de Spanjaarden Amerika ontdekten, troffen ze daar grote goud voorraden aan. In 1518 zette de Spanjaard Cortez met een leger van zeshonderd man voet aan grond in Mexico. Hij trok het binnenland in en wist de Aztekenkoning Montezuma te verslaan.

Hij sleepte een onnoemelijke hoeveelheid goud van de Azteken naar Spanje. Pizarro nam de Incakoning gevangen en vroeg een losprijs. Die losprijs bestond uit het vullen met goud van een kamer, waarin de Incakoning gevangen zat. Hiervoor moesten de Inca’s alle gouden voorwerpen omsmelten tot staven. Dankzij de verovering van het Azteekse rijk en het Incarijk, beschikte Spanje naast veel zilver nu ook over grote hoeveelheden nieuw goud om munten van te slaan.

De primaire Spaanse gouden rekeneenheid was de escudo, en het basismuntstuk het stuk van 8 escudo’s, de ‘doblon’ die oorspronkelijk vastgesteld werd op 27,4680 gram 22 karaats goud (in de eenheden van vandaag), wat stond voor 16 keer het gelijkwaardige gewicht aan zilver. De brede beschikbaarheid van gemalen en kolven gouden muntstukken maakte het voor de Antillen mogelijk om in 1704 goud tot het enig wettelijk betaalmiddel te maken. De omloop van Spaanse muntstukken zou tot de rekeneenheid voor de Verenigde Staten leiden; de ‘dollar’, die op de Spaanse zilveren real werd gebaseerd. De muntmarkt van Philadelphia ging in Spaanse koloniale muntstukken handel drijven.

Goud heeft een enorme aantrekkingskracht. Dat bleek in 1848 in de Verenigde Staten toen John Sulter van een zaagmolen bouwde. Zijn helper James Marshall zag bij toeval wat gele stukken metaal tussen het grind dat uit de rivier kwam. Ze hadden toevallig wat goudklompjes (‘nuggets’) genoemd, ontdekt. Die ontdekking had grote gevolgen voor de goudprijs van toen.

Meer dan veertig duizend avonturiers uit alle delen van Amerika en Europa gingen op zoek naar goud. Nog erger was het toen er in 1896 goud gevonden werd in Klondike (een plaats in Alaska). De ‘jacht op goud’, in het Engels de ‘goldrush’, heeft heel doden tot gevolg gehad. Ook in Australië waren er goldrushes..

Een theorie over het onstaan van het gebruik van goud

Een spelend kind dat vele duizenden jaren geleden een glimmend stukje steen in een kreek vindt, dat zou wel eens het begin van de geschiedenis van de relatie tussen de mens en het goud kunnen zijn.

Goud werd voor het eerst in zijn natuurlijke vorm ontdekt in stromend water op tal van plekken over de wereld. Het was het eerste edelmetaal waar de mensheid leerde mee omgaan en een enorme sprong in onze evolutie betekende. Goud werd algauw een onderdeel van onze cultuur en leefwereld.

De uitstraling, natuurlijke schoonheid en de weerstand tegen slijtage maakte van goud een ideaal materiaal om mee te werken en mee te pronken. Goud werd op verschillende plaatsen door verschillende volkeren ontdekt, en allemaal vonden ze er eigen toepassingen voor. Iedere cultuur die met goud in aanraking kwam, raakte er van onder de indruk.

Goud was het allereerste duurzaam materiaal dat wijd verspreid werd. Bij de studie van de historische vooruitgang van de technologie hebben we de neiging om ijzer en koper als de eerste belangrijke bijdrage tot de economie en de vooruitgang van ons ras te beschouwen, maar die eer komt eigenlijk goud toe. Goud is dan ook van alle metalen het gemakkelijkste om mee te werken. Goud wordt zeer veel gebruikt in het maken van gouden juwelen of sieraden

Het komt voor in een virtueel pure, vlot bewerkbare staat, in tegenstelling tot de meeste andere metalen die bij het smeltproces heel wat problemen opleveren en ook minder goed bewaren.

Fysieke eigenschappen van Goud

Dichtheid :  De dichtheid geeft aan hoeveel massa er aanwezig is in een bepaald volume. Bij goud bedraagt de dichtheid 19320 kg/dm³.

Atoommassa : Of de massa van een atoom uitgedrukt in atomaire massa-eenheden. De atoommassa hangt af van de hoeveelheid kleine deeltje in de kern zitten. De atoommassa van goud is 196,9655 g.mol -1.

Smeltpunt : De temperatuur waarbij een vaste stof verandert in een vloeibare stof. Het smeltpunt van goud is 1337° Kelvin of 1063,85° Celcius.

Kookpunt : De temperatuur waarbij de dampdruk van een stof 1 atmosfeer bedraagt. Bij goud is het kookpunt 3081° Kelvin, of 2855,850° Celsius.

Aggregatietoestand : De staat waarin een stof zich bevindt. De tot nu toe bekende aggregatietoestanden zijn vast, vloeibaar, gasvormig, plasma en Bose-Einsteincondensaat (een laag-energetische gasvormige aggregatietoestand, die slechts voorkomt bij temperaturen vlakbij het absolute nulpunt). Bij goud is de aggregatietoestand vast. Een vaste stof wordt gekenmerkt door bindingen tussen de moleculen van de stof die heel lang blijven bestaan; ze zitten als het ware strak aan elkaar vast geplakt. Natuurkundig gezien bestaan vaste stoffen uit atomen, die een vaste positie ten opzichte van elkaar innemen.

Warmtegeleiding : Dit is de mate waarop een stof warmte doorgeeft dit word met het SI-stelsel (Système International) uitgedrukt. De warmtegeleiding van goud is 310 W/m K.

Tabel met specificaties van Goud

Algemeen
Naam Goud / Aurum
Symbool Au
Atoomnummer 79
Groep Kopergroep
Periode Periode 6
Blok D blok
Reeks Overgangsmetalen
Kleur Geel metalliek
Chemische eigenschappen
Atoommassa (u) 196,97
Elektronenconfiguratie [Xe]4f14 5d10 6s1
Oxidatietoestanden +1, +3
Elektronegativiteit
(Pauling)
2,45
Atoomstraal
(pm)
144
1e ionisatiepotentiaal (kJ×mol -1) 890,13
2e ionisatiepotentiaal (kJ×mol-1) 1977,96
Fysische eigenschappen
Dichtheid (kg·m-3) 19320
Smeltpunt (K) 1337
Kookpunt (K) 3081
Aggregatietoestand Vast
Smeltwarmte (kJ·mol-1) 12,55
Verdampingswarmte (kJ·mol-1) 334,40
Van der Waalse straal (pm) 166
Kristalstructuur k.v.g. (bij kamertemp.)
Molair volume (m3·mol-1) 10,21 · 10−6
Geluidssnelheid (m·s-1) 1740
Specifieke warmte (J·kg-1·K-1) 128
Elektrische weerstand (μΩ-cm) 2,35
Warmtegeleiding (W·m-1·K-1) 317
SI-eenheden en standaardtemperatuur en -druk worden gebruikt,
tenzij anders aangegeven.